| W E E R W A T G E L E E R D ! |
Niet elk jaar kunnen de schaatsliefhebbers zich in
de handen wrijven als de ijsvloer op hun favoriete watertje aangroeit en vervolgens
sterk genoeg is om bereden te worden. En als het er van komt, dan stappen we
massaal op het ijs, het liefst met helder vriezend weer en een koek en zopie.
In deze bijdrage van Weer Wat Geleerd gaan we eens in op de technische details
van het ontstaan en
de
vorming van natuurijs, hoe het aangroeit en welke factoren deze groei bepalen.
En niet te vergeten... de veiligheid op het ijs en enkele historische feiten.
Dat zal u niet verbazen.
Water is een vloeistof dat bij 0 graden Celsius overgaat in zijn vaste toestand....ijs.
Toch lijkt dat allemaal simpel maar is in werkelijkheid niet zo. Het water wat
wij op aarde kennen is van zeer verschillende samenstelling en zuiverheid. Zuiver
zoet water zal bij een luchtdruk van rond 1013 hPa bij 0,0 graden Celsius inderdaad
de vaste vorm gaan aannemen. Echter is dit een optimale situatie die in de natuur
vrijwel nooit voorkomt. Water die opgeloste zouten bevat, zoals zeewater, bevriest
veel later. Hoe meer zout het water bevat hoe langer het duurt voordat het stolpunt
wordt bereikt. Zeewater bevriest pas bij gemiddeld -1.9 graden. Zoet water -
dat nooit geheel schoon is - heeft ook een stolpunt dat iets lager ligt dan
0,0 graden Celsius, bijv. bij -0,2. Dat zijn verschillen die u niet snel zal
opmerken en zeker niet als er een aantal nachten met matige of strenge vorst
plaatsvinden. Zo direkt zien we dat niet alleen de zuiverheid van het water
een faktor is.
Waar hebben we ijs?
Het overgrote deel ijs in de wereld ligt in de poolstreken, de noordpool, op
Antartica (de zuidpool) en voor 90% van Groenland. Door een aanhoudend koud
klimaat met 11 of 12 maanden constante vorst heeft in de vele voorafgaande jaren
een dikke ijslaag gevormd van 1 tot 3 km dik. Vooral op het centrale deel van
de polen maar ook op Groenland is de ijslaag zelfs ruim 3 km dik.
Behalve
dit poolijs dat deels zout en zoet is, kennen we ook het ijs dat eromheen
in de oceanen voorkomt, het zeeijs of pakijs. Dit is overwegend zout
ijs dat in de herfst- en wintermaanden wordt gevormd door de bevriezing van
zeewater en zich geleidelijk (over enkele honderden kilometers) naar het zuiden
toe uitbreidt Dichtbij de noordpool heeft dit zeeijs al gauw een dikte van 2
tot 4 meter.
Op de bergen en gletsjers vinden we het landijs dat ontstaan is door
de tranformatie van oude sneeuwlagen. Door het gewicht van deze soms metersdikke
lagen klinken deze in en worden door afwisselende temperaturen en verdamping
omgevormd tot ijs. Boven de sneeuwgrens is het aandeel van het zoete landijs
het grootst. In de Alpen vinden we dit ijs boven de 2600-2800 meter, in de winterperiode
uiteraard onder de verse sneeuw. In de zomer komt een deel van het oude ijs
aan de oppervlakte. Hoe dieper men komt, hoe ouder het ijs.
IJsbergen zijn meestal ook samengesteld uit zoet ijs dat door het afbreken
van gletsjers aan de kust in zee terechtkomen. Ruim 8/10 de deel van de ijsberg
bevindt zich onderwater. Het deel boven water is gemiddeld zo'n 50 m hoog. In
het vroege voorjaar raken ze op drift en verplaatsen zich naar het zuiden. Vooral
tussen Newfoundland en Groenland komen veel ijsbergen voor. Deze kunnen zeer
gevaarlijk zijn voor de scheepvaart; we kennen allen het verhaal en de film
van Titanic.
Het natuurijs op plassen, meren en vaarten is een andere vorm die we in deze
bijdrage eens nader gaan bekijken.
Hoe meer en langer de lucht
beneden het vriespunt afkoelt, des te sneller ook het water een temperatuur
van beneden nul kan gaan aannemen. Water is nu eenmaal een eigenaardig goedje.
Het neemt minder snel een nieuwe temperatuur aan en houdt langer zijn warmte
vast (denkt u maar aan het zeewater dat begin september op zijn hoogste temperatuur
is). Een paar nachten van 3 of 4 graden vorst is voldoende om een flinterdun
laagje ijs te vormen. Het bovenste laagje water koelt dan af tot 0 graden of
net daar beneden en bevriest. Het warmere water onder het ijs dat niet bevriest
is bij een temperatuur van 4 graden of net daaronder zwaarder en zakt langzaam
naar de bodem. Er vindt a.h.w. een verschuiving van waterlagen plaats. Hoe kouder
het water is, hoe lichter het wordt en hoe hoger het aan de oppervlakte blijft.
Bij een temperatuur van 4 graden heeft water namelijk bij 1 Atm. (1013 hPa)
zijn grootste soortelijke massa. Daaronder neemt het gewicht snel af, boven
de 4 graden ook, maar iets minder snel.
Afvoer
van warmer rioolwater of kwelwater verstoren het temperatuurbeeld van het water
danig en vertragen het groeiproces behoorlijk. In deze wateren duurt het langer
voordat een redelijke ijsvloer is gelegd en blijft deze bovendien dikwijls van
een verradelijk slechte kwaliteit. Kwelwater is water dat van hoger gelegen
land komt en door warmere grondlagen in het water terechtkomt.
Waar dat niet gebeurt kan de menging van eigen water ongestoord verder gaan
en zal de temperatuur van het water gemiddeld steeds lager worden. Als er eenmaal
een redelijk laagje ijs heeft gevormd zal het ijs verder aan de onderkant moeten
aangroeien. De luchttemperatuur heeft dan minder snel invloed. IJs is een goede
isolator een houdt de straling voor een groot deel tegen. De kou trekt minder
snel door het ijs heen. Bovendien en veel belangrijker: bij bevriezing van water
komt stollingswarmte vrij. Deze warmte moet door de ijslaag heen worden afgevoerd
die de temperatuur van het ijs dus iets verhoogt.
Dit betekent dat de ijslaag na de eerste ca. 6 á 7 cm minder snel zal
aangroeien bij dezelfde temperatuur en omstandigheden. Overdag beschermt de
ijslaag tegen het zonlicht. Deze reflecteert het zonlicht voor een groot deel
(zie ook bij neerslag).
IJs zal het eerst aan de oevers gevormd worden. Daar koelt het water sterker
af dan in het midden ervan dankzij de toestromende en zwaardere, koude luchtmassa's
vanaf het land. Onder een brug is de uitstraling en afkoeling minder groot (de
brug houdt dit tegen), is de verplaatsing van het water wat intensiever en wordt
de toevoer van koudere landlucht meer belemmerd. Daar zal de groei van het ijs
achterblijven, een in de praktijk bekend feit.
Zolang er nog geen ijs ligt, is de diepte van het water van groot belang. Hoe dieper het water hoe langer het duurt voordat de gehele watermassa afkoelt en er bovenin het eerste ijslaagje kan worden gevormd. Ondiepe slootjes zullen eerder bevriezen dan grote meren. De eerder beschreven menging vindt plaats maar duurt langer dan in minder grote diepten. Zodra het eerste ijs er ligt, neemt de belangrijkheid van de waterdiepte als faktor af.
Water dat flink stroomt, bevriest minder snel dan water dat rustig is of vrijwel stilstaand is. De vertikale menging van waterlagen met verschillende temperaturen kan dan beter plaatshebben dan wanneer het water veel in beweging is en de temperatuur gelijkmatiger over de gehele diepte verdeeld wordt. Uiteindelijk zullen ook rivieren bij een watertemperatuur van 0 tot max. 1 graden beginnen te bevriezen. Gemalen kunnen in vaarten ook de menging van het water in stand houden en de ijsvorming vertragen. Verradelijker is daarbij dat het ijs meestal zeer verschillend van kwaliteit is.
De hoogte van de windsnelheid
is zeker niet te verwaarlozen, zeker niet wanneer de wind kracht 4 of meer bereikt.
Op het water ontstaan dan snel rimpeling en golven en brengen zodoende de bovenste
lagen in beweging. Bij minder dan windkracht 4 kan de wind zelfs een gunstig
effect hebben. Als het eerste ijs gevormd is, zal de heersende wind de afgestane
stollingswarmte sneller kunnen afvoeren dan wanneer het windstil is. Denkt u
maar aan de vergelijking wanneer u het kouder krijgt indien het waait en u bezweet
bent dan wanneer het windstil is. Op deze wijze wordt verdamping en afvoer van
warmte bevordert en koelt u sterker af. Ook het bovenste laagje ijs of water
zal sneller afkoelen wanneer er iets wind staat.
De relatieve vochtigheid is bepalend voor de hoeveelheid verdamping die kan
plaatsvinden. Drogere lucht bevat minder waterdamp en bevordert de verdamping
en samen met de wind ook de afkoeling van het water. Na de eerste paar dagen
wordt de vochtigheid veel minder belangrijk.
Bouw en structuur
Hakt u een stuk ijs uit de sloot, dan ziet u dat natuurijs een vezelige structuur
heeft, waarvan de vezels vertikaal staan (loodrecht op het oppervlak). In het
ijs bevinden zich vele luchtbelletjes, veelal in de vorm van cilinders. Lucht
(mede door afgifte van groene planten) ontsnapt tijdens het bevriezingsproces
uit het water en wordt door het ijs ingesloten tijdens de poging om naar boven
toe te gaan en te ontsnappen.
IJs
vormt zich in het beginstadium door ijsnaalden die zich plots vormen, door het
water schieten en aansluiting zoeken met elkaar. Door de afgestane stollingswarmte
wordt dat in het begin versneld en kan, nadat de kritieke temperatuur is bereikt,
in een aantal minuten een dun laagje ijs (frazil-ice) gevormd zijn.
Hoe kouder het ijs, hoe lichter het is. Zoals we al zagen, heeft water onder
de 4 graden een steeds lager wordende soortelijke massa. Bij -2 graden weegt
zuiver ijs ca. 0,92 kg per 1 liter, bij -10 ongeveer 0,85 kg per liter.
Sterkte
Wanneer kan ijs mij houden? Het is niet altijd zo dat ijs een vaste minimale
dikte moet hebben. Ook de kwaliteit bepaalt de sterkte en draagkracht van het
ijs. Meer ingesloten lucht veroorzaakt een grotere broosheid en dus minder sterk
ijs. Hoe helderder het ijs van kleur is, hoe steviger het is en hoe meer draagkracht
het heeft. Gemiddeld mag je uitgaan van een minimale dikte van 6 cm helder ijs.
Bij 7 cm gaan de natuurijsbanen open. Voor grotere toertochten is 10 cm een
must. Voor Elfstedentochten wordt een dikte van minimaal 16 cm aangehouden,
behoudens korte zwakkere plekken waar gekluund kan worden. 14 cm ijs kan een
kleine auto houden, een vrachtwagen of een grote mensenmenigte pas bij 30 cm
en een treinstel blijft staan op een ijsvloer van ongeveer 45 cm.
Kleur
IJs is helderder en bevat minder luchtbelletjes wanneer het langzamer (bij minder
lage temperaturen onder nul) bevriest. Ook de hoeveelheid opgeloste stoffen
bepaalt de kleur, het ijs is veel witter wanneer er veel stoffen in voorkomen.
Soorten
In ondiepe wateren kunnen de ijsnaalden ook aan de bodem vastvriezen. Dit ijs
heeft een grijze of beige kleur en wordt grondijs genoemd en ontstaat
het meest bij stromende ondiepe rivieren. In rivieren en op grote meren (ook
op het IJsselmeer) ontstaat vaak eerst het pannenkoekijs, ronde vellen
van ijs, die door de stroming en wind tegen elkaar botsen en geleidelijk zullen
vastvriezen zodat uiteindelijk een homogene ijslaag ontstaat.
Wakken
Maar dan heb je een leuke laag ijs, zitten er wakken in! En die verdwijnen meestal
maar langzaam. Wakken ontstaan aan de lijzijde van een oeverwal waar de wind
op iets grotere afstand van de kant het water weer kan bereiken en daar het
diepere, warmere water aanzuigt en concentrisch door het wak laat stromen. Daar
duurt het dus langer voordat ijsvorming optreedt. Windstil weer met minstens
matige vorst kan dan uitkomst bieden.
Voor
zover gebleken of gemeten, is ons ijs in de meeste jaren maximaal 10 tot 15 cm
dik. In sommige jaren met koude of zeer koude winters met langdurige vorstperioden
(bijv. 1940, 1979, 1985, 1987) lukt het om een ijsvloer van soms tot 25 of 30
cm te realiseren. In de beruchte winter van 1963 zijn zelfs ijsdikten van ruim
40 cm gemeten. Met de Friese Elfstedentochten is de ijsvloer meestal een 15 tot
20 cm dik, in sommige jaren tussen de 20 en 25 cm. Ga pas op het ijs als deze
minimaal 6 cm dik is en een vrijwel egale grijze kleur heeft. Bovendien moet
de ijsvloer droog en vlak zijn. Pas dan kunt u verzekerd zijn van een voldoende
sterke ijsbaan. Controleer ook de plekken aan de oevers en onder bruggen. Daar
is het ijs minder dik en dus minder draagkrachtig.
Ga na het begin van een dooiperiode of na een dag met regen niet meer
het ijs op. IJs dooit sneller dan u denkt en wordt behalve dunner ook brozer
waardoor het - ondanks de nog mogelijk behoorlijke dikte - veel minder draagkracht
bezit.
Zakt u toch onverhoopt door het ijs dan kunt u - wanneer u alleen bent - het
volgende doen:
Vermijd zoveel mogelijk heftige bewegingen. Brokkel het ijs af totdat u een
steviger stuk ijs
tegenkomt. Plaats uw rug dan tegen de harde rand en zet met uw benen aan de
andere kant af en probeer er zo uit te klimmen. Dat geldt ook wanneer u in een
bijt (open plek voor vogels) terechtkomt.
Als u eruit bent, kruipt u plat over het ijs van het wak of de bijt weg en sta
pas op een afstand van enkele tientallen meters op. Liggend verdeelt u namelijk
uw lichaam dan wanneer u rechtop staat.
Als u hulp moet bieden, het volgende. Ga plat op uw buik liggen en kruip naar
het wak toe. Probeer het slachtoffer met uw hand uit het water te trekken, het
liefst met een touw, stok of aanelkaar geknoopte jassen om voldoende afstand
te houden tussen u en het zwakkere ijs rond het wak.
Wanneer iemand onder het ijs terechtkomt is haast geboden. Binnen enkele minuten
kan de dood intreden doordat het ijskoude water het lichaam onderkoelt. De lichaamstemperatuur
daalt snel en zal er beneden 33 graden spoedig bewusteloosheid intreden. Ademhaling
en hartslag zijn nauwelijks voelbaar. Beneden 28 graden zijn de overlevingskansen
gering.
Gaat u te water dan is het zaak om u aan een levenslijn vast te maken en deze
door een ander vast te laten houden. Spreek af dat u na ongeveer 30 seconden
weer bovenkomt of anders de lijn laat aantrekken.
Een voordeel voor het slachtoffer kan zijn wanneer felkleurige kleding wordt
gedragen. Soms kun je dan het slachtoffer door het ijs zien liggen en de reddingsplaats
snel bepalen.
Bronnen:
Nader verklaard, KNMI
IJsgroeimodel, Wessels en de Bruin (KNMI)
Natuurkunde in het vrije veld, deel 2 (Minnaert)
Meteorologie en Oceanografie (van der Ham, Korevaar, Moens, Stijnman)
Foto's ijs met luchtbellen en ijs op Markermeer gemaakt door Arie Verrips,
copyright Meteonet
Heeft u iets voor "Weer wat geleerd!" of heeft u vragen dan wel reacties,
s.v.p. mailen naar: M.E. Egthuijsen